 Tijdens de regeerperiode van Lodewijk XIV onderging de Franse muziek een ware gedaanteverwisseling. Het was vooral Jean Baptiste Lully - weliswaar Italiaan van afkomst – die een nieuwe stijl ontwikkelde die maximaal moest behagen aan de koning. Blijkbaar slaagde Lully in zijn opzet want algauw werd zijn stijl als voorbeeld genomen over gans Europa. Of iets genuanceerder: zijn stijl had minstens een hele sterke invloed…
De nieuwe stijl vergde ook nieuwe instrumenten. Zo moest de pommer, een dubelrietinstrument dat vooral in openlucht gebruikt werd, evolueren naar een instrument dat binnenskamers en samen met de strijkers bespeeld kon worden. Op die manier werd de hobo geboren.
Er waren enkele families die er een lange traditie op na hielden als componisten, instrumentisten en instrumentenbouwers. Families als Chédeville, Hotteterre en Philidor waren klinkende namen in heel Europa. Velen van hen maakten ook deel uit van hoforkesten zoals La grande Ecurie, Chapelle Royale of Chambre du Roy.
Op het einde van de 17de eeuw ontstaat er een stijlconflict tussen de aanhangers van de (ondertussen) verouderde stijl en de aanhangers van een meer ‘veritalianiseerde’ stijl, die ‘La querelle des Bouffons’ genoemd werd. Dit uit zich ondermeer in de titels die Francois Couperin aan sommige van zijn werken gaf: ‘L'apothéose de Corelli’, ‘L'apothéose de Lully’ en vooral ‘Les Gouts réunis’. Het zijn suites die het vervolg waren op ‘Les Concerts Royaux’, waarin Couperin de twee stijlen harmonieus verwerkt. De vorm blijft wel Frans (in die zin dat ze gedurende lange tijd nog de suitevorm blijft aanhouden zoals in Lully's tijd: een opeenvolging van dansen,voorafgegaan door een prelude of ander vrij openingsstuk.)
Een ‘Frans programma’ waarin Paul Dombrecht en Robert Kohnen voluit bewijzen dat ze van alle stijlen thuis zijn. |